Van der Maarel ArtEco
Marijke van der Maarel-Versluys en dr. Eddy van der Maarel
Taal Appendix 2

 

Etymologie   Appendix 2:   ‘Woorden weven’; Introductie en illustratie


De mini-essays gaan over ontdekkingen in de woordenschat van een aantal Indo-Europese talen. Veel van die ontdekkingen leiden tot conclusies, of in elk geval hypothesen, over historische ontwikkelingen die vaak een ander licht werpen op maatschappij en milieu van onze tijd. Zij kunnen onze kijk op de samenleving veranderen. Deze ontdekkingen en het plezier dat ik eraan beleef wil ik graag met anderen delen. Waar het om gaat zijn de verschillen in betekenis van woorden in verwante talen die kennelijk een gemeenschappelijke oorsprong hebben, en het vinden van logische ontwikkelingslijnen. De hierin verwerkte talen zijn de Germaanse talen Nederlands, Fries, Duits, Engels en Zweeds, de Romaanse talen Latijn en Frans, en het klassieke Grieks. Meer incidenteel worden IJslands, Spaans, de Slavische taal Tsjechisch en de Keltische taal Welsh geraadpleegd. Als Indo-Europese basis van deze talen wordt de elektronische versie van het Indo-European Etymological Dictionary (OPU-010) gebruikt. Verder wordt veel gebruik gemaakt van etymologische woordenboeken van zes van bovengenoemde talen, vooral van het Nederlandse Etymologische Woordenboek (OPU-016) en het bekende Etymologisches Wörterbuch des deutschen Sprache door F. Kluge (OPU-012).

Met de Germaanse talen vormen bovengenoemde, en nog veel meer talen de Indo-Europese talengroep. Men gaat er van uit dat er ooit één Indo-Europese taal werd gesproken en dat het volk dat die taal sprak tussen de 6000 en 9000 jaar geleden, ergens ten noorden of oosten van de Zwarte Zee heeft gewoond. De meeste onderzoekers (taal­kundigen en archeologen) houden het op de steppen van de Oekraine tot aan de Kaspische Zee, terwijl volgens nieuw onderzoek Anatalië de bakermat zou zijn. Om nog onduidelijke redenen (voedselgebrek, of een calamiteit) heeft dit volk zich in groepen verspreid over grote delen van West-Azië en vrijwel heel Europa. De Indo-Europese oertaal is tijdens deze diaspora uiteengevallen in minstens 10 taalfamilies, die zich weer hebben opgesplitst in de ca. 400 talen die we nu kennen. Zie Appendix 1.

Veranderingen in talen en verschillen tussen verwante talen kunnen ontstaan door ‘mutaties’, veranderingen in spelling en uitspraak, en ook in betekenis. Ook worden nieuwe woorden gevormd om nieuwe zaken te benoemen. Verder werden (en worden)  woorden overgenomen (en aangepast) van volken waarmee men in contact kwam en zich vermengde (zogenaamde substraatwoorden). Ten slotte worden woorden overgenomen uit talen uit de omgeving waarmee contacten waren en zijn via reizen (‘leenwoorden’, die eerder importwoorden zijn).  Onze eigen taal zit vol met voorbeelden van nieuwe woorden, zowel autoch­tone als (overwegend) allochtone, waarvan er vele via opname in onze standaard, van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, worden ‘toegelaten’ tot onze taal. Tegen­woordig zijn dat vaak efemere (kortstondige) woorden. In het Chronologisch Woordenboek van Nicoline van der Sijs (OPU-015) zijn de nieuwkomers in chronologische volgorde vermeld. Dit boek is ook een schatkamer voor de ouderdom van autochtone Nederlandse woorden. Het woord wad is al sinds 107 bekend, uit een Romeinse bron. Dijk is geregistreerd sinds 1035, zintuig sinds 1678. De allochtone woorden, meestal leenwoorden genoemd zijn eveneens in dit boek vermeld, bv. milieu (uit het Frans) sinds 1888, plastic (Engels) sinds 1948 en diskette (Engels) sinds 1995.


De essays zijn in omvang en aantal gedurende de laatste jaren zodanig gegroeid dat het idee ontstond om er een boek van te maken. En dit boek is er gekomen. Op 16 december 2014 werd het formeel gepubliceerd door de Academische Uitgeverij Eburon. Op de website <www.eburon.nl> is het een ander over het boek te vinden. Zie hier de omslag met de titel.



 

 

UA-76357729-1