Van der Maarel ArtEco
Marijke van der Maarel-Versluys en dr. Eddy van der Maarel
Natuurbehoud

 

Geschiedenis 1950-

Natuurbehoud is hier een verzamelbegrip voor natuurbescherming, natuurbeheer, restoratie-ecologie, natuur- en milieueducatie en ecologische aspecten van ruimtelijke ordening. Voor ons kwam natuurbehoud in ons leven tijdens onze jaren in de NJN (App. 1, Fig. 1). Als oud-NJN’ers waren we in 1960 betrokken bij de oprichting van het IVN, het Instituut voor Natuurbeschermingseducatie, thans Vereniging voor natuur- en milieueducatie. In deze periode was Marijke betrokken bij natuureducatie voor kleuters (Fig. 1.2; NPU-015, 019). Zie App. 1.

Veel van het vegetatieonderzoek dat Eddy heeft verricht en begeleid, had een toegepast karakter. In de jaren 1960 ging het vooral om gegevens voor behoud en beheer van bedreigde en beschermde natuurgebieden, i.h.b. de vegetatiekartering van de duinen van de Stichting Het Zuid-Hollands Landschap bij Oostvoorne in 1959/1960 (Fig. 1.3; NPU-006, 005). Dit onderzoek werd begeleid door Victor Westhoff (Fig. 1.4; ‘Ecologie’). Het leidde tot een nauwe samenwerking met Marcus Adriani (Fig. 1.5), die uitmondde in het boekje ‘Voorne in de Branding’(NPU-020; Fig. 1.6), een wetenschappelijk gefundeerd pleidooi vóór integrale handhaving van het hele duingebied van Voorne en tegen havenuitbreiding van Rotterdam. De argumentatie berustte vooral op de grote soortenrijkdom aan groepen planten en dieren (Fig. 1.7). Het boekje kwam tot stand in samenwerking met de Werkgroep Kustgebied Voorne en werd uitgegeven door de Stichting Wetenschappelijk Duinonderzoek. Uit die tijd dateert ook Eddy’s bemoeienis met deze stichting (NPU-077). Zie App. 1.

In de jaren 1970 werden acties tot behoud van natuurgebieden steeds meer ondersteund door ecologische argumenten. Ook werden deze steeds meer geïntegreerd met sociale, technische en economische aspecten van de ontwikkeling van regio’s. Op de afd. Geobotanie van de Katholieke Universiteit Nijmegen, waar Eddy toen werkte, werden methoden van ecologische evaluatie ontwikkeld en o.a. toegepast op projecten van ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld van de regio Arnhem-Nijmegen (NPU-028, 030; App. 2, Fig. 1). Deze benadering is onder meer uitgemond in het GEM, het ”Globaal ecologisch model voor de ruimtelijke ordening van Nederland” dat in 1978 verscheen (NPU-039). Zie App. 2. Ook werd een ‘florastatistiek’ ontwikkeld, een standaardlijst voor de flora van Nederland met gegevens over standplaats en zeldzaamheid (NPU-024)

Geschiedenis 1980-

In de ”Zweedse” jaren 1980 en 1990, lag het accent van het onderzoek van Eddy op de vegetatie-ecologie. Veel medewerkers en promovendi deden echter toegepast onderzoek naar beheer en restoratie van vegetatietypen (samenwerking Ejvind Rosén, bv. IPU-152). Ook bleef duinbeheer belangrijk (samenwerking Frank van der Meulen; Fig. 2.5, IPU-087). Als gasthoogleraar in Groningen (zie ‘Ecologie’) heeft Eddy meegewerkt aan het onderzoek naar restoratie van natuurtypen, i.h.b. ecohydrologie en verschraling (samenwerking Jelte van Andel en Jan P. Bakker; o.a. OPU-014, 008). Ontgrondingen en begrazen en maaien zijn hier onontbeerlijke beheersmaaatregelen (Fig. 2.6).

Actuele situatie

In de jaren 1990 raakte het natuurbeheer beheerst door twee ontwikkelingen. Eerst kwamen de Ecologische Hoofdstructuur en het ermede verbonden EU-project Natura 2000. De EHS is een netwerk van natuurgebieden dat in 1990 is opgezet door het toenmalige kabinet, met de bedoeling de biodiversiteit in Nederland op peil te houden. Natura 2000 is een Europees initiatief met deels dezelfde doelstelling; daarmee zijn de Vogelrichtlijn van 1979 en de Habitatrichtlijn van 1992 geïntegreerd. Er zijn vraagtekens te plaatsen bij de EHS. De vraag is wat er gebeurt met de halfnatuurlijke landschappen en of het nut van verbindingszones niet wordt overschat. Zie App. 2. Daarnaast werd binnen Staatsbosbeheer een theorie ontwikkeld betreffende de prominente rol van grote grazers in het oorspronkelijke landschap. Dit idee wordt steeds meer toegepast in het beheer van natuurreservaten en natuurontwikkelingsgebieden. De Oostvaardersplassen is het paradepaardje van de aanhangers van deze theorie, die echter volgens ons en anderen niet deugt, zoals o.a. Eddy al in 2002 heeft aangetoond (NPU-054; Fig. 2.8 ). Men staart zich blind op de enorme kuddes (‘Serengeti-effect’) en enkele zeldzame vogelsoorten, maar de biodiversiteit gaat achteruit. Toepassing van deze theorie is ook funest voor het halfnatuurlijke landschap. Intussen is een vrij lange niet gepubliceerde opiniebijdrage op de webpagina ‘Opinie’ geplaatst. Zie aldaar.

Plannen

Al enkele jaren bestaat het plan een kritisch essay over natuurbeheer te schrijven. Is daarvoor geen uitgever te vinden, dan kan de Opinierubriek plaats bieden.

Natuur- en milieueducatie

De laatste jaren is de combinatie van natuureducatie en milieueducatie seeds meer in zwang gekomen. Het lijkt nuttig de informatie over dit onderwerp in een afzonderlijke appendix op te nemen. Onze bemoeienis met natuur- en milieueducatie dateert van onze eerste actieve jaren als leraren biologie. Daarbij waren we betrokken bij de oprichting van het IVN (Fig. 3.1). Sinds onze terugkaar naar Nederland is Eddy betrokken geraakt bij de Heimans en Thijsse Stichting. Hij heeft lang in het bestuur van de stichting gezeten en is nog steeds eindredacteur van de Nieuwsbrief (Fig. 3.2). Een andere ingang is het onderzoek en de ontwikkelingen op dit gebied door Arjen Wals, hoogleraar aan de Wageningen Universiteit (Fig. 3.3) en zoon van Eddy's zuster Joke en wijlen Harry Wals, beiden zeer actief geweest in de natuur- en milieueducatie.

 

 

Natuurbehoud   Appendix 1:  1950-

Natuurbehoud   Appendix 2:  1980-

Natuurbehoud   Appendix 3:  Natuur- en MilieuEducatie



UA-76357729-1